De geschiedenis ligt op straat

Herdenken is van alle tijden. Culemborg bestond in 2018 zevenhonderd jaar, in 1993 was dit nog pas 675 jaar. Voet organiseerde op 10 juli van dat jaar een ‘culturele middag’ in de Fransche School. Het idee ervoor kwam van Henk Budde.
Het thema van deze middag was ‘het Eigene van Culemborg’: wat is nou typisch Culemborgs en wat is kenmerkend voor de Kuilenburgers. Acht sprekers belichten de stad, zijn historie en zijn inwoners, en dat alles in telkens tien minten, met sketches van theatermakers Ton van Kempen en Nicoline van de Beek tussendoor.
Ikzelf heb er een verhaal afgestoken waarin je een boodschap vindt die je in meer van mijn latere werk tegen kunt komen. ‘Kijk om je heen, en laat je nieuwsgierig maken’. Want alles heeft een verhaal, en achter veel van wat je met ‘zoekende’ ogen ziet, schuilt meer dan je vantevoren wist.
Tussen 700 en 675 jaar zit geen wereld van verschil. Misschien is er wat veranderd, maar er is nog steeds volop veel te zien. Spin je eigen ‘draad door de eeuwen’ als je wandelt door Culemborgse straten, over dijken, dreven of polderstegen. Zoek en ga wat vinden.


Brouwerij Tollenstraat Culemborg

Op de hoek van Tollenstraat en Lange Meent stond vroeger een brouwerij. Een gevelsteen uit 1614 houdt dit gegeven voor ons in leven.

Een draad door de eeuwen

Zeshonderd vijfenzeventig jaren, bijna zeven eeuwen, laten zich niet passen in tien minuten. Een eeuw in anderhalve minuut, zeg maar. Dat lukt niet.
Bijna zeven eeuwen stad. Het eigene . . ?
Culemborg als stad! Wel dan een stad met door de eeuwen heen veranderende accenten.

Kasteelstad is Culemborg niet meer. Alhoewel ?! De kasteeltuin heeft plannen.
Ook als marktstad, met zijn korenhandel, zijn schippers, en als hofstad voor zijn heren en graven is Culemborg niet meer in tel.

Culemborg werd zoetjesaan een industriestad: de zijdelintindustrie, een geweerfabriek en een steenbakkerij dienden zich al vroeg aan. Culemborg werd in de vorige eeuw sigaren- en meubelmakersstad. Sinds de jaren zestig is het vooral een forensenstad, een stad op de rand van de Randstad in het groene hart van Nederland, in het rivierengebied.

Herkenbaar verleden

Een stad met een interessant verleden. Vaak een nog steeds herkenbaar verleden. In namen bijvoorbeeld. Maar ook in tastbare dingen. Kijkt u maar eens om u heen.
Nee, niet hier binnen! Maar B U I T E N ! op straat.

Een oude gaslantaarn, sierlijk smeedwerk, gevelreclame en andere ornamenten. Oude gebouwen, gevelstenen. Zij vertellen allemaal hun eigen verhaal.
Het is het verhaal van Culemborg. Wie rondwandelt met open ogen, wil spoedig meer weten. Van datgene wat hij van vroeger nog ziet.
Maar niet alles is bewaard gebleven. Culemborg is geen museumstadje, dat hoeft nauwelijks betoog. Er is veel verdwenen.
Maar wie om zich heen kijkt, en nieuwbouw ziet, wordt wellicht toch nieuwsgierig.
Wat stond daar eerst, vraagt u zich af. Wat voor panden er op de Markt stonden voordat daar het grote, gele winkelpand van Ausems kwam, verraden oude foto’s nog wel. Maar wat stond er dan bijvoorbeeld op de Varkensmarkt, waar nu de winkel van Brenkman is.
Vragen die om antwoord vragen!

 

Varkensmarkt 1916

Een fouragewagen van het leger op de Varkensmarkt rond 1916. Op de nummers 8-12 waren toen gevestigd de winkels van J. Brenkman (rijwielen), G.A. Kooij (grutterswaren) en koperslager J.J. Pieters.

Kijken én (willen) weten

Wie zo rondwandelt door onze stad, trekt zijn eigen draad door de eeuwen. De geschiedenis gaat leven. Voor hem wordt rondwandelen: kijken én weten, of liever gezegd: willen weten. Want iedere gevelsteen, ieder gebouw, ieder stoephek vertelt zijn eigen verhaal.
Maar je moet het ‘weten’, om het te kunnen verstaan!

Laten we maar eens beginnen. En wel bij dit pand, dit theater, de Fransche School. Het werd in 1846 als stadsschool gebouwd. Dat leren we uit de tekst die in de voorgevel laag bij de grond is ingebeiteld. We leren ook wie er toen in het stadsbestuur zaten. Jacob J.H.C. Horn was toen burgemeester, Jan Vogelenzang Hondius en Johan Cornelis Francois van Hoytema waren de wethouders.
Ook in de Vishal van 1786 vinden we een Van Hoytema: Dominicus Namna, hij was vanaf 1745 tot aan zijn dood in 1796 ruim een halve eeuw schout van Culemborg. Een belangrijk man, evenals zijn nazaten. Dominicus Namna was hij ook schout van Everdingen en Zijderveld. Culemborg was tot 1796 immers een graafschap. De beide dorpen behoorden daartoe.
Kijken we bij een andere oude stadsschool, die in de Goilberdingerstraat, uit 1884, dan leren we uit de memoriesteen wie er tóen in het dagelijks bestuur van de stad zaten. Jonkheer mr. L. Schorer als burgemeester – hij is op Landzicht in een straat vernoemd -, de beide wethouders J. van der Putten en A.A. Blijenberg. En de gemeentesecretaris was alweer een Van Hoytema. Marinus Perpetuus Adrianus ditmaal. De architect was Leendert Sillevis.

Aan de naam Blijenberg herinneren ook twee panden van rond 1850. Arie Blijenberg liet in 1856 het pand Kattenstraat 20 bouwen, zijn zoon Wilhelmus bouwde twee jaar later de statige boerderij op de hoek van het Hof en de Everwijnstraat, dat we nu als het Susterhuys kennen. De gevelstenen bewijzen het.

Susterhuys Mariëncroon

De naam ‘Susterhuys’ verwijst naar het oude Franciscanessenklooster Mariëncroon.

Nonnen, schutters, brouwers en molenaars

Het Hof, de naam is al gevallen. Dat slaat op het Nieuwe Hof, na 1673 de grafelijke residentie, voorheen het Franciscanessenklooster Mariëncroon. Door de grafelijke woonkamer van weleer raast nu het verkeer, en de automobilist parkeert zijn vehikel in de grafelijke achtertuin.
In die tuin vinden we in de stadsmuur de Schutterstoren. Hier oefenden de burgers van de schutterij zich met kruisboog en snaphaan. Een toren, vraagt u? Waar dan!? Hij is deerlijk vervallen, overwoekerd, nauwelijks zichtbaar. Bijna historie wellicht, maar hij heeft nog zoveel te vertellen! ‘Heer, blijft bij ons’, zou je zo tussendoor bijna zeggen. Het is een tekst in de gevel van Tollenstraat 34.

We zijn al weer wat dichter bij huis. Dat mag ook wel, want in het ándere pand op de hoek van de Lange Meent ziet wie opkijkt, een merkwaardige steen. Zestienhonderdveertien lezen we, temidden van afbeeldingen van brouwersgereedschap en een bier drinkend mannetje. Hier heeft een brouwerij gestaan. Van wie? Dat vraagt nog speurwerk. Een telg uit een belangrijk Culemborgs geslacht? Wel zeker, want brouwers waren in die tijd doorgaans aanzienlijke lieden.
Bier was vroeger een heel wat gezonder drank dan water, en het is dan ook niet verwonderlijk dat Culemborg in de zeventiende eeuw zeker vier brouwerijen telde. In een daarvan, die naast de Binnenpoort, van de burgemeestersfamilie Bosch, wordt thans bier getápt. Vergeten we verder niet de brouwerij De Pauw, in het begin van de Tollenstraat, en ook op Oude Vismarkt werd gebrouwen.
Voor de wind ging het Culemborg al vanouds. Dat wordt des te duidelijker, nu onze molen De Hoop weer wieken heeft. Een imposant gezicht, ongetwijfeld ook toen. Deze molen dateert van 1854, maar ook voor die tijd is er daar een geweest.

Er heeft overigens nog een molen binnen de grachten gestaan. Van die molen, De Korenvriend, is nog het afgeknot lijf over, op de hoek van de wal achter de Vismarkt. In 1909 ging de brand erin. De stenen molen werd deels in houtskelet, het lijf met riet bedekt, herbouwd. Hebben de nog zichtbare ribben in de muur soms als steunen gediend voor die opgezette constructie? Nee, ze zaten er al eerder. Acht jaar later werd deze molen andermaal, en nu definitief, geslachtofferd. Hij werd in 1917 gesloopt.

Stadsmuur bij het Hof

De stadsmuur bij het Hof. De Schutterstoren is na de restauratie van najaar 1993 weer duidelijk herkenbaar.

Verdwenen en toch aanwezig

En ja, wat is er al zo verdwenen. Een kerk, de St. Janskerk, de parochiekerk van de Nieuwstad; vijf poorten, drie zo rond 1860, twee al eerder; twee kloosters, het al genoemde zusterklooster Mariëncroon, en het Sepulchrijnen klooster in de Nieuwstad. We zien er nog enkele resten van achter de smederij van Cees Heij. Een geweerfabriek, we hebben het horen vertellen door de heer Mentink [1], een bijzondere industrie. De bekende onderwijzer J.B. van den Ham, wiens collectie de grondslag legde voor onze Oudheidkamer, nu museum Elisabeth Weeshuis, heeft er in 1893 nog een grote ronde steen van gezien, die diende als doel bij de beproeving der geweren. Helaas kunnen wij daarin niet meer zijn deelgenoot zijn. Ook die steen is verdwenen.

Alles hoeft niet bewaard te blijven. Soms vertelt ook nieuwbouw iets. Dat er vroeger iets anders stond, bijvoorbeeld. Zo vinden we nu in de Achterstraat appartementen waar vroeger de brandspuitenfabriek van Kronenburg was, en ook in de Goilberdingerstraat, waar voorheen eerst het Algemeen Ziekenhuis en nadien de Huishoud- en Industrieschool stond, is dat het geval.
Je moet het gewoon even weten!

Drie maal Culemborg

Zo trekken we al wandelend draden door de historie. Jan van Buren, Vrouwe Elisabeth en Culemborg als vrijstad kunnen daarbij niet ontbreken. Dat hoeft ook niet!
Noemen we Jan van Buren dan hebben we het over Zweder van Culemborg en Rudolf van Diepholt die elkaar de Utrechtse bisschopsstoel betwisten. Een houtsnede terzijde van het stadhuis geeft het tafereeltje van Jan van Buren, Rudolfs handlanger die in 1428 onze stad overviel in een poging Zweder te overmeesteren.
Die poging mislukte echter, en Van Buren trof een naar lot. Hij werd op de Vismarkt van lid tot lid in moten gehakt. Culemborg hield een vrolijke herinnering over aan deze mislukte overval, de jaarlijkse processie op St. Emerentiana-dag (23 januari). Het werd de lokale feestdag, die tot aan de Reformatie gevierd werd. Alle mannen en vrouwen die op die dag de dankmis bijwoonden, verdienden daarmee maar liefst veertig dagen aflaat. Zó kon je ook feestvieren!

Oude Vismarkt met Jan van Buren 1428

Een houtsnede boven een deur aan de zijkant van het stadhuis verbeeldt de geschiedenis van Jan van Buren die in 1428 door de visvrouwen in moten werd gehakt.

Over Vrouwe Elisabeth hoef ik niet veel te zeggen. Zij is Culemborg en zij heeft Culemborg afgemaakt. Haar naam is verbonden met het Elisabeth Weeshuis, het Stadhuis en het Manhuis dat zij samen met haar man stichtte. Haar wapen komen we op verschillende plaatsen tegen, haar beeld bij de Elisabeth-hof [2]. Opvallend is het hoe ontzettend weinig de na haar komende graven aan Culemborgs stadsbeeld hebben toegevoegd. Er is in hoofdzaak verdwenen, sinds zij overleed.

Culemborg als vrijstad. Hoe kwam het toch dat Culemborgse arbeiderskinderen zoveel ‘achterlijker’ en ‘gedeprimeerder’ waren, kon Otto de Beus zich ‘deze eeuw’ nog afvragen. Het had stellig meer te doen met slechte arbeidsomstandigheden en alcoholisme dan met de ‘afstamming van minderwaardig geïmmigreerd bloed’. Duellanten en doodslagers vonden in Culemborg in de zeventiende en achttiende eeuw tegen betaling een veilig heenkomen, bankroetiers een doorgaans tijdelijk verblijf vanwaaruit zij een regeling met hun schuldeisers konden treffen. Sinds 1664 – de zogenaamde schakingsaffaire die Hollands woede opwekte – waren de grafelijke raadsheren wel voorzichtiger om aan ‘malitieuse bankroetiers’ en ‘moetwillige doodslagers’ vrijgeleide te geven.

Met open ogen

Er zijn nog zoveel meer thema’s die ik hier kan noemen, die interessant zijn in Culemborgs verleden. Wie een artikel wil schrijven heeft stof te over.

Maar waar het voor u om gaat is natuurlijk interesse krijgen voor die historie, geprikkeld te worden om jezelf te verdiepen in de plaatselijke geschiedenis, te puzzelen met de uit de literatuur bekende feitjes en te zoeken naar die nog ontbrekende stukjes in het bestaande beeld van het verleden. Dat beeld is nog verre van compleet en puzzelen is een aardige bezigheid.

Die prikkeling ondervinden kun je door een stadswandeling te maken, met je ogen open. Beter doe je er eraan als je daarnaast ook lid wordt van ‘Voet’, want dan ondervinden we het samen. En dat samen geeft toch meer vreugd. En die kan de geschiedenis van Culemborg je zeker bieden.

‘Critisch aangelegd ras’

Ik besluit met een typering. We hebben het immers over ‘het eigene’. Het zijn de woorden van Voets eerste voorzitter, mr. Leendert Sillevis, in 1912 nog pas 23 jaren jong, in zijn artikelenreeks ‘Peusomai’. Hij schets de Kuilenburger in een artikel over de Spoorbrug als volgt:

‘Och, wij Culemborgers, wij zijn blijkbaar wel een critisch aangelegd ras; wij zijn – al vervaagt dat een beetje in deze alles nivelleerende eeuw – ook een ras met diepgewortelde eigengerechtigheden.
Wij zijn er als Blauwlappen op gesteld eens per jaar een Beusichemsch Waterrot bont en murw te beuken,
wij hebben een zwak voor dikke horlogekettingen, trijpen pantoffels en broekspijpen in trechtermodel,
wij sloffen ‘s Zondags al eeuwen langs dezelfde singels, in dezelfde richting,
wij hebben een hartstocht voor groote, vreemdkleurige petten, eenigszins schuins-links gedragen,
wij gooien met centen, kruis of munt . . .
en wie ons daar nu niet in volgen kan, dien jouwen wij krachtig uit.’

Het is maar dat u het weet!

kop Jan van Buren in de Slotstraat

De kop van Jan van Buren, afkomstig uit de Slotpoort, is 1938 ingemetseld hoog in de gevel van Slotstraat 16-18.

[1] Gerrit Mentink, oud-rijksarchivaris van Gelderland, lezing voor het historisch genootschap Voet van Oudheusden, op 23 febr. 1993. [↑]

[2] Het beeld van Vrouwe Elisabeth staat sinds 2016 op het voorplein van het Weeshuis. [↑]


Het Eigene van Culemborg

De voordrachten van de acht sprekers tijdens de ‘culturele middag’ op 10 juli 1993 zijn gebundeld in het boekje ‘Het Eigene van Culemborg’, dat september 1994 verscheen.
Het boekje is alleen nog antiquarisch te krijgen.
De sprekers van destijds waren Bert Blommers, Peter Schipper, Cees Heij, Ton van Kempen, Henk Budde, Wim Veerman, Jean Eigeman en Otto J. de Jong.
In het boekje vind je behalve hun tien-minuten-praatjes die zij in de Fransche School hebben gehouden, ook de interviews met elk van hen.

Het eigene van Culemborg

Verleden in steen

De tekst van enkele in het artikel vermelde gevelstenen.

Fransche School / Armenschool (1846)

Eerste steen Fransche School / Armenschool (1846)

DE EERSTE STEEN IS GELEGD
DEN 15DEN SEPTEMBER 1846
ONDER HET BESTUUR VAN :

Eerste steen Fransche School / Armenschool (1846)

J.J.H.C. HORN, BURGEMEESTER
J.V. HONDIUS
J.C.F. VAN HOYTEMA } WETHOUDERS

Oude school / Laan-school, Goilberdingerstraat (1884)

Oude school / Laan-school,  Goilberdingerstraat (1884)

Jonkh. Mr. L. SCHORER, Burgemeester
J. VAN DER PUTTEN,
A.A. BLIJENBERG } Wethouders
M.P.A. van HOIJTEMA, Secretaris
L. SILLEVIS, ARCHITECT

Kattenstraat 20 en Everwijnstraat 1

Kattenstraat 20

Arie Blijenberg (1794-1876) was landbouwer, gemeenteraadslid en heemraad van het polderdistrict Culenborg. Hij was de vader van Wilhelmus (zie hieronder) en Antonius Adrianus Blijenberg (1834-1884).

Eerste steen Kattenstraat 20

ARIE BLIJENBERG
1856

Philippina Sophia Merkens (1827-1903) was de echtgenote van koopman, landbouwer Wilhelmus Blijenberg (1831-1906), Zij trouwden in 1856.

Eerste Steen Everwijnstraat 1

P.S. BLIJENBERG
GEB(ORE)N MERKENS
1858


Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.