Rond de Kulenborg. Een boek over ridders en ontginningen, en het Culemborgse stadsrecht

Johan van Bosinchem gaf Culemborg in 1318 stadsrechten

Zegels van Jan van Bosinchem en zijn ‘magen’, 1314

In het najaar van dit jaar verschijnt het lang verwachte boek ‘Rond de Kulenburg’. Daarmee los ik een oude schuld in. Er zitten inmiddels vele jaren werk in.
Het boek komt nu misschien ook wel op het goede moment, want Culemborg viert in 2018 dat Johan van Bosinchem de reeds min of meer bestaande stad ‘uitgebreide burgerrechten’ gaf. Culemborg wordt al in het jaar 1300 een ‘oppidum’ genoemd. Dit Latijnse woord geeft aan dat de nederzetting al versterkt was, met een gracht en wallen, of ten minste een vorm van eigen bestuur had, met schout en schepenen.

In 1993 was een klein jubileum (675 jaar stadsrecht) reden om een studiedag te organiseren, waaraan verschillende experts meededen die elk vanuit hun invalshoek licht wierpen op de voorgeschiedenis van Culemborg.
Mensen als Bas van Bavel en Ellen Palmboom hadden juist interessante proefschriften geschreven, en konden vertellen over de grote rol van de heren van Cuijck (heren van Malsen) in dit gebied en hoe in Beusichem in de middeleeuwen een ‘heerlijke hof’ met afhankelijke boeren functioneerde, waarvan leden van de familie Van Bosinchem, de latere heren van Culemborg en Vianen, misschien wel de ‘meiers’ – zeg maar: beheerders – waren geweest. John Mulder en Jacob Kort waren de deskundigen op het gebied van het landschap en de middeleeuwse leenhoven, waarin de heren in dit gebied de militaire ondersteuning door hun leenmannen organiseerden.

John Mulder Ellen Palmboom Bas van Bavel
Drie van de auteurs: John Mulder, Ellen Palmboom en Bas van Bavel

On-af ‘meesterwerk’

De ‘pater familias’ van al deze historici was uiteraard Pieter Beltjes, toen al bijna 80 jaar. Hij was de man met de meeste lokale historische kennis, ook van de middeleeuwen waarin hij zich al in de jaren ’40 en ’50 ten volle verdiept had.
Toen Beltjes in 1999 overleed, was zijn grote artikel over de ontginningen nog niet af. Hij was ongeveer halverwege gekomen. Alles nog handgeschreven, in moeilijk handschrift, in bundeltjes halve A4-tjes met enkele regels tekst. In meerdere versies en veelal nog zonder noten. Zo schreef Beltjes zijn artikelen, voordat hij de tekst ervan definitief uittypte.

Toen Voet van Oudheusden mij in 2006 vroeg om het boek Rond de Kulenburg toch te laten verschijnen, heb ik als samensteller eerst het grote verhaal van Beltjes uitgewerkt. Het is een postume co-productie geworden: Beltjes de eerste helft, ik de tweede helft, ieder zo met eigen, soms wat bijgestelde conclusies.
In 2008 hebben we de eerste schreden gezet in de vormgeving, in 2012 had het boek klaar moeten zijn, en dat was bijna gelukt. Daarna is het werk stilgevallen. Wat nog ontbrak was het laatste hoofdstuk, mijn hoofdstuk, dat wel.
Het werk daaraan is ook het intensiefste deel van mijn inspanningen in de totstandkoming van het boek Rond de Kulenburg geworden. Dat wil ik wel even uitleggen.

Middeleeuwse genealogie

Mijn eigen ‘grote verhaal’ is dat van de heren van Culemborg en Vianen, ridders en knapen uit de familie Van Bosinchem, met uitgebreide bezittingen op beide oevers van de Lek.
Reuze interessant, maar wat breder dan Culemborg alleen. En middeleeuwse genealogie is knap lastig, want de bronnen zijn schaars en de gegevens dus altijd onvolledig. Het blijft dikwijls puzzelen met een beperkt aantal stukjes, en het is de kunst met veelal kleine aanwijzingen de juiste conclusies te trekken.
Van vóór 1300 zijn de oorkonden veelal uitgegeven in de bekende Stichtse, Hollandse en Gelderse oorkondenboeken. Ook de Abdij van Mariënweerd heeft zo’n oorkondenboek.
Het bronnenmateriaal na 1300 is veel minder bewerkt. Geen volledige teksten, soms wel regesten (korte samenvattingen), maar in principe moet je al die oorkonden zelf in de archieven gaan bekijken, om te zien wie er allemaal in voorkomen. En die oorkonden, dat zijn er honderden. Kerkelijke oorkonden doorgaans nog in Latijn, de andere veelal in een Middelnederlands handschrift.
Tegenwoordig is archiefbezoek vooral foto’s nemen, en daarna thuis uitwerken en teksten transcriberen. Een dagje archief is al gauw een week werk nadien. Nuttig en praktisch, dat zeker, maar ook knap tijdrovend.

Zegels van Jan van Bosinchem en zijn 'magen', 1314

Zegels van Jan van Bosinchem en zijn ‘magen’, 1314

Wat vooraf ging

In de afgelopen jaren heeft het onderzoek ook regelmatig een andere koers gelopen. Tot 2006 was ik, naast mijn gewone werkzaamheden, vooral bezig met drie deelonderzoeken, die nog alles met de studiedag Rond de Kulenburg te maken hadden.
Tijdens de overleggen voorafgaande aan de studiedag bleek de wenselijkheid van een ‘historisch kadaster’ voor Beusichem. Dat zou uitsluitsel kunnen bieden welke rechten de Bosinchems en de Burens daar hadden, en wie dus de oudste ‘heer van Beusichem’ was geweest.
Ook de vele takken van de heren van Buren moesten worden uitgezocht. Jhr. van Lennep had daar een voorzet voor gegeven, die echter voor serieuze verbetering vatbaar was. Over beide zaken heb ik eind jaren ’90 lezingen gegeven.
In Culemborg, dat toen nog zijn eigen Stadsarchief had, was enige tijd geen onderzoek mogelijk. Toen dat weer kon, heb ik me gestort op een reconstructie van de hoevenverdeling in het Culemborgse Veld. Het resultaat toont het regelmatige patroon van twee – naast elkaar gelegen – hoeven land van de heer van Culemborg, gevolgd door steeds één hoeve van de heer van Kaets. Zo waren land en rechtsmacht er dus praktisch verdeeld: Culemborg tweederde, Kaets eenderde.

Wel of niet in de bundel ?

Twee aparte onderzoeken hebben aardig wat tijd gekost, maar zijn al dan niet in het boek terecht gekomen. Allereerst de kwestie van de Culemborgse kastelen. Het oudste kasteel moet aan de westkant van de stad hebben gestaan, even buiten de Goilberdingerpoort, aan de binnenzijde van de Westersingel. Voet van Oudheusden schrijft het en een oorkonde uit 1341 vertelt het ons.
Niettemin is daar discussie over ontstaan, omdat prof. Janssen in 1996 debiteerde dat het nieuwe, zo rond 1350 aan de oostkant gebouwde kasteel eigenlijk het oude dertiende eeuwse kasteel van Culemborg moest zijn.
Teneinde daar een antwoord op te vinden heb ik in 2009 alle rekeningen van de heer van Culemborg van 1358 tot 1400 op foto gezet en doorgespit. Met een schat aan gegevens als resultaat, maar geen eenduidige conclusies. De heer van Culemborg had namelijk meerdere kastelen, zo in Culemborg als in Maurik. Dikwijls was niet duidelijk welke bouwactiviteit waar had plaatsgevonden. Het kastelenhoofdstuk is daarom niet in het boek terecht gekomen.
Dat is wel het geval met een bijlage die verhaalt hoe de genealogie van de heren van Culemborg tot stand is gekomen. het is de geslachtslijst die we ook bij Voet van Oudheusden tegenkomen. Daarin zitten hele duidelijke fouten, maar deze lijst is tot in de achttiende eeuw kritiekloos nagevolgd.
Het ontstaan ervan ligt rond 1470 toen een Gorcumse kapittelheer een eerste summiere lijst van opeenvolgende heren opschreef, te beginnen in 1166. Hieraan zijn in latere handschriften steeds meer gegevens toegevoegd. Onder Floris van Pallandt werd dit de officiele genealogie, die hij als nieuwe graaf van Culemborg nog verder uitbreidde met een fictieve afstamming van de oude graven van Teisterbant.

Ook een voorzetje van de heer Coldeweij, die in 1993 een huwelijk tussen een Bosinchem en een meisje Cuijck suggereerde, is buiten het boek gebleven. Dit artikeltje is in 2011 tot een veel groter artikel uitgewerkt. Het is onder de titel De verwantschap Buren-Kuyc en de Hof te Malsen, verschenen in de Mededelingen van de Historische Kring West-Betuwe.

Lek en Linge - 16e eeuwse kaart

Een apart genealogisch belangrijk werkje was tenslotte de beantwoording van de vraag wanneer ridders nu eigenlijk ridder werden.
Omdat we in de middeleeuwen meestal niet weten wanneer iemand geboren werd of stierf, weten we doorgaans ook niet hoe oud iemand was, als hij voor de eerste keer in de bronnen opduikt. Hebben we het dan bijvoorbeeld over een jongeling, een volwassen man of een man op leeftijd?
Uit met name de latere veertiende-eeuwse gegevens blijkt dat ‘knapen’ meestal pas als dertiger hun ridderslag ontvingen. Zo’n gegeven helpt enorm bij het juist inschatten van de leefperioden van ridders en knapen, waarvan we maar weinig gegevens hebben, zoals met name in de dertiende eeuw doorgaans het geval is.

Verrassende inzichten

Ik ga afronden. Het jarenlange onderzoek naar de Bosinchems, hun familierelaties en hun bezittingen en rechten heeft vele nieuwe inzichten opgeleverd.
Soms kwamen die gaandeweg, en moesten al gereed gekomen delen van het artikel weer herschreven worden.
Zo bleken de Culemborgse Bosinchems al veel eerder dan ik aannam, in de twaalfde eeuw, belangrijke banden met voorname Utrechtse families te hebben. Alfer, een broer van Hubert van Bosinchem, was in 1200 zelfs schout van Utrecht, en zijn nageslacht – zo bleek – zat er als ‘erfschepenen’ in de schepenbank. Zijn naam Alfer gaat terug op een ander schout Alfer, die vermoedelijk zijn opa was.

Op zich is het niet vreemd dat ridders uit het omliggende platteland in de stad Utrecht voorname huizen hadden, en er een rol speelden aan het hof van de bisschop. Utrecht was rond 1200 eigenlijk de enige stad in onze buurt, en dus de metropool, de plek waar je moest wezen als je wat voorstelde.
Dat bewezen te zien plaatst de Bosinchems toch wel in een ander daglicht dan de ‘hereboeren’ waarvoor mr. Leendert Sillevis ze in 1969 nog hield.

Yvonne Jakobs, inmiddels oud-voorzitter van het genoootschap A.W.K. Voet van Oudheusden, typeerde de bundel Rond de Kulenburg in haar in 2012 geschreven voorwoord als ‘een standaardwerk’, waarin de vroegste geschiedenis van de heerlijkheid Culemborg en het aangrenzende gebied tussen Lek en worden belicht.

Ik ga daar niks op afdingen.

 

Download hier alvast de inhoudsopgave van het boek (pdf).

 

Reageren is niet mogelijk